Deze aflevering over E. tetragona kan beschouwd worden als een
extra aflevering in de serie van Ton Pullen “Een maatje
te groot”. Deze boomvormige Euphorbia kan namelijk een hoogte
van 10 meter overschrijden. Dergelijke exemplaren treffen we in
onze verzamelingen natuurlijk niet aan, maar soms kom je in de
handel zaailingen tegen. Als je ze niet heel schraal houdt zijn
ze echter zeer snel veel te groot. Voor onze cultuur is ze dus
van minder waarde, maar desalniettemin is het toch een interessante
soort.
Boomvormige Euphorbia’s zijn in een tiental soorten vertegenwoordigd
in Zuid Afrika. Daar waar ze voorkomen zijn ze meestal zeer algemeen
en drukken een eigen stempel op het landschap. Veel soorten zien
er uit als een hele grote kroonluchter op een dikke stam.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat, zodra de eerste botanici
deze gebieden bezochten, ze een aantal van deze bomen mee naar
huis namen. Zo heeft ene Bowie E. grandidens en E. tetragona in
het begin van de negentiende eeuw mee naar Kew genomen, alwaar
Haworth ze in 1825 en 1827 heeft beschreven.
Een aardig detail is dat White, Dyer en Sloane aan het einde van
de dertiger jaren, melding maken van het feit dat de typeplant
nog steeds, na meer dan 100 jaar, floreert in cultuur. Hier blijkt
wel uit dat ze echt niet moeilijk te kweken is.
Aangezien ik toch wel nieuwsgierig was of onze ster ook de laatste
halve eeuw had overleefd, heb ik een E-mailtje gestuurd naar Kew.
Vrijwel direct kreeg ik een reactie van Carol Bliss, waaruit bleek
dat dit niet het geval was. Euphorbia tetragona komt in hun verzameling
niet meer voor. Ook in hun database, welke terug gaat terug tot
1960, komt ze niet voor. Wat er met de typeplant gebeurd is weten
we helaas niet, maar ik veronderstel dat er in de tweede wereldoorlog
ook hier een slachtoffer heeft geeist. Voor dergelijke dingetjes
is het internet trouwens erg handig. De site van de Royal Botanic
Gardens in Kew is met een zoekprogramma in een oogwenk gevonden.
Op deze site staat het E-mailadres vermeld en dan is een mailtje
snel gestuurd.
Van alle boomvormige Euphorbia’s in de Oostelijke Kaapprovincie
is E. tetragona het meest gedrongen qua groeivorm, blijft in verhouding
het kleinst en heeft het meest een ‘beschaafd’ uiterlijk.
De hoofdstam kan tot acht ribben hebben, terwijl de zijtakken
vrij uniform vier ribbig zijn. Alleen hele jonge takjes hebben
soms tijdelijk drie ribben. Het vierkante karakter van de zijtakken
wordt nog extra benadrukt doordat de zijkanten van de takken nagenoeg
vlak zijn. Geen enkele boomvormige Euphorbia heeft dit kenmerk
en zodoende kan men E. tetragona direct als zodanig herkennen.
Deze groeivorm is vrijwel zeker de reden voor de naam, want vrij
vertaald betekent tetragona ‘vier hoekig’. Erg origineel
is dit niet, want deze naam is veelvuldig gebruikt voor vierribbige
Euphorbia’s. Bovendien kennen we een hele cijfermatige reeks
E. …. gona’s. We noemen bijv. trigona, pentagona,
hexagona, pentagona en polygona.
Een opvallende eigenschap van vele bedoornde planten is dat de
zaailingen veel zwaarder bedoornd zijn dan de oudere planten.
Een verklaring hiervoor is natuurlijk dat kleine plantjes veel
kwetsbaarder zijn voor vraat dan grote planten. Dit is bij E.
tetragona ook het geval en bij oude planten zijn de zijtakken
soms zelfs onbedoornd.
Euphorbia tetragona groeit vaak samen met E. triangularis. Deze
laatste wordt groter, ziet er veel slordiger uit en de zijtakken
zijn meer gesegmenteerd, ofwel zijn niet overal even dik. En natuurlijk
zoals de naam al zegt, de zijtakken zijn driekantig.
Als men in de Oostelijke Kaapprovincie vanuit het droge noorden
naar het zuiden rijdt, komt men in steeds vochtiger gebieden.
Ter hoogte van Lesotho hebben wij helemaal geen boomvormige Euphorbia’s
aangetroffen. Verder naar het zuiden van Cradock op de weg naar
Cookhouse vonden we de eerste wolfsmelkbomen, terwijl we nog verder
naar het zuiden, ter hoogte van Addo, we meerdere soorten wolfsmelkbomen
zeer algemeen aantroffen. Dit was E. tetragona, die vrij klein
en gedrongen van groeivorm is. Dit is niet verwonderlijk, want
ze is het beste tegen droogte bestand. In tegenstelling tot alle
andere, zuidelijker gelegen vindplaatsen die wij bezochten, vonden
wij hier geen E. triangularis.
E. grandidens, die nog weer groter wordt dan E. triangularis,
dunnere zijtakken heeft en veel bossiger groeit, is een nog groter
liefhebster van vocht. Haar naam dankt zij aan het feit dat haar
zijtakken voorzien zijn van grote tanden. Zij groeit vanaf East
London naar het oosten in de Transkei. Hier begint het alweer
behoorlijk groen te worden en men treft er grote grasvlakten aan.
Een opmerking wil ik maken over E. ramipressa, ook een wat kleinere
boomvormige Euphorbia’s. De herkomst van deze soort is onbekend
en Jacobsen vermeldt zelfs Madagaskar. Dat zou uniek zijn, want
op Madagaskar groeit geen enkele Euphorbia met steunbladdoorns.
E. ramipressa heeft erg veel overeenkomsten met E. grandidens,
alleen heeft de eerste vrijwel alleen tweeribbige zijtakken, terwijl
E. grandidens soms twee, maar meestal drieribbige zijtakken heeft.
Waarschijnlijker is het dan ook dat E. ramipressa haar oorsprong
vindt in de Oostelijke Kaapprovincie of Transkei. E. ramipressa
is echter van de in dit artikel genoemde soorten het meest wijd
verspreid in onze verzamelingen.
Noemenswaardig is verder nog E. curvirama, een soort die amper
de halve hoogte haalt van de andere bomen. Ze komt slechts voor
op enkele vindplaatsen en zou een natuurhybride met mogelijk E.
bothae zijn. Ook E. bothae wordt vaak genoemd als natuurhybride,
maar wij hebben deze soort op diverse vindplaatsen aangetroffen
en was aldaar zeer uniform. Kenmerkend voor een natuurhybride
is dat ze lokaal voorkomt en zeer variabel is in uiterlijke kenmerken.
Dit geldt dus niet voor E. bothae, maar dus wel voor E. curvirama.
Zoals al eerder gezegd in dit artikel, zijn de boomvormige Euphorbia’s
erg gemakkelijk te kweken en aangezien ze behoorlijk groot kunnen
worden, is het niet verwonderlijk dat inheemse culturen er een
bepaalde levenskracht aan toe schrijven. De Xhosa hebben dit in
een bijzondere traditie plaats gegeven. De geboorte van een tweeling
ziet men als een boosaardig voorteken. Om het kwade te bezweren
en voor de tweeling een goed leven af te dwingen dient de vader
twee boomvormige Euphorbia’s aan weerszijden van de ingang
van de hut te plaatsen. Het welzijn van deze planten is dan onlosmakelijk
verbonden met het welzijn van het verdere leven van de tweeling.
Voor de tweelingen is maar gelukkig dat het zulke gemakkelijke
en goed groeiende planten zijn.
Aan de honing van deze planten wordt ook een medicinale werking
toebedeeld. Vooral door de bloeirijkheid en de rijke hoeveelheid
nectar in een bloem zitten de bijenkasten in een oogwenk vol met
honing tijdens de bloeitijd. Deze honing heeft echter geen consumptie
waarde, want ze is zo heet als sambal. Het schijnt echter te helpen
tegen een zere keel, maar omdat een geringe hoeveelheid al tot
diarree leidt, kan het middel wel eens erger zijn dan de kwaal.
Tot zover mijn bespiegelingen over deze bomen. Hoewel het echte
succulenten zijn, zijn ze voor de gemiddelde liefhebber minder
interessant. Aan de andere kant benadrukken ook deze grote soorten
de veelvormigheid van het geslacht Euphorbia en om daar een goed
overzicht van te krijgen, horen ze er echt bij.
Literatuur:
White, A., Dyer, R. A., Sloane, B. L., (1941), The Succulent Euphorbiceae
(Southern Africa) 2 Vols.
Tekst bij de afbeeldingen:
34 en 36 Een kleine groep planten van Euphorbia tetragona ten
zuiden van Cradock op de weg naar Cookhouse.
35 Een jonge plant van Euphorbia tetragona met frisse nieuwgroei.
Ondanks dat ze al behoorlijk van vraat te lijden heeft gehad,
zorgt ze voor verjonging van de populatie.